lamp Tips en inzichten ontvangen over de aanpak van complexe problemen in het onderwijs?

passendonderwijs kinderenVanaf het schooljaar 2014-2015 treedt de Wet passend onderwijs in werking. Passend onderwijs geldt voor leerlingen in het primair en voorgezet onderwijs en het middelbaar beroepsonderwijs. Systeemdenken kan scholen helpen om passend onderwijs op een passende manier vorm te geven. Ontdek hier hoe.

Passend onderwijs

“Elk kind heeft recht op goed onderwijs. Ook kinderen die extra ondersteuning nodig hebben. Passend onderwijs beoogt dat zo veel mogelijk leerlingen regulier onderwijs kunnen volgen. Want zo worden ze het best voorbereid op een vervolgopleiding en doen ze zo goed mogelijk mee in de samenleving. Het speciaal onderwijs verdwijnt niet. Kinderen die het echt nodig hebben, kunnen nog steeds naar het speciaal onderwijs.”

Zo valt te lezen op de site www.passendonderwijs.nl. Daar staat verder dat het in passend onderwijs gaat om wat leerlingen daadwerkelijk nodig hebben om onderwijs te kunnen volgen. De onderwijsbehoefte is het uitgangspunt.

Onderwijs als systeem

Laten we het reguliere onderwijs beschouwen als een systeem en nagaan wat passend onderwijs voor dat systeem betekent.

passendonderwijs input outputDe beschrijving van elk systeem zou moeten beginnen met de klant. De klant is degene die het systeem dient. In het regulier onderwijs zijn er twee soorten klanten. Allereerst de individuele leerling. Met de invoering van passend onderwijs behoren daar ook degenen toe met een behoefte aan extra onderwijsondersteuning. De tweede klantcategorie is de samenleving als geheel. Goed onderwijs is essentieel voor het voortbestaan van een (moderne) samenleving.

Een systeem heeft ook een doel. Dit is de waarde die een systeem voor klanten beoogt te creëren. De klantwaarde die het reguliere onderwijs beoogt te creëren, is in essentie studiesucces. Studiesucces in de vorm van: 1) kwalificatie voor een vervolgopleiding of toekomstige arbeid, en 2) socialisatie tot een volwaardig lid van de samenleving.

Wet van vereiste variëteit

Voor de effectiviteit van systemen is de wet van vereiste variëteit van belang. In 1956 formuleerde W. Ross Ashby formuleerde in 1956 de ‘law of requisite variety’. De essentie ervan is dat, om een doel te bereiken, een systeem moet beschikken over ten minste zo veel variatiemogelijkheden als de variëteit waarmee het systeem heeft te maken.

De betekenis van de wet van vereiste variëteit voor het onderwijs in het algemeen en voor passend onderwijs in het bijzonder, kan aan de hand van een eenvoudig voorbeeld worden verduidelijkt. Stel:

  • De leerlingen van een school hebben vier verschillende onderwijsbehoeften ( 1 t/m 4);
  • De school biedt drie vormen van onderwijsondersteuning (I, II, III);
  • Leerlingen kunnen succes (S) hebben of uitvallen (U).

passendonderwijs onderwijsbehoefteStel nu dat de situatie is zoals weergegeven in het schema. Voor onderwijsbehoefte 1, 2 en 3 beschikt de school over een variant van onderwijsondersteuning die leidt tot succes. Voor onderwijsbehoefte 4 is dit niet zo, met uitval als gevolg.

In dit geval wordt dus niet voldaan aan de wet van vereiste variëteit: de school beschikt over onvoldoende variëteit in onderwijsondersteuning om te voorzien in de variëteit aan onderwijsbehoeften van leerlingen.

De invoering van passend onderwijs zal in veel gevallen tot gevolg hebben dat de variëteit waarmee het regulier onderwijs krijgt te maken, zal toenemen. Wat biedt het systeemdenken aan inzichten hoe daar mee om te gaan?

Hierna volgen vier tips.

Tip 1: Goed onderwijs

Soms vergroten systemen zelf de variëteit waarmee ze worden geconfronteerd. Denk in het onderwijs bijvoorbeeld aan roosters die om de haverklap veranderen, elke docent die zijn eigen spelregels hanteert, lessen die geen duidelijke structuur hebben, lessen die niet goed op elkaar zijn afgestemd et cetera.

Sommige leerlingen hebben het vermogen daar goed mee om te gaan. Maar vele anderen hebben er grote moeite mee. En zij zullen het systeem belasten met aanvullende vragen en dus bijdragen aan de variëteit waarmee het onderwijs heeft te maken.

Het onderwijs doet er dus verstandig aan dat te voorkomen. Dus gewoon goed onderwijs bieden, volgens het adagium van Einstein: ‘houd het zo simpel mogelijk, maar niet simpeler.’ Dat is goed voor alle leerlingen, en in het bijzonder voor veel leerlingen met een behoefte aan extra onderwijsondersteuning.

Tip 2: Eerste lijn centraal

Veel organisaties gaan om met variëteit door functionele specialisatie. De eerste lijn zorgt er in dat geval voor dat een klant afhankelijk van zijn specifieke vraag door een daarin gespecialiseerde organisatie-eenheid wordt geholpen.

Deze wijze van organiseren lijkt efficiënt: immers niet iedereen hoeft alles te kunnen. Maar het leidt ook tot veel overdrachtsmomenten en coördinatiebehoefte. Langere doorlooptijden, fouten en verspilling zijn daar vaak het gevolg van.

passendonderwijs eerstelijncentraalVolgens een andere systeemdenker, John Seddon, zou je systemen daarom zo moeten inrichten dat de eerste lijn is in staat is effectief om te gaan met zo veel mogelijk variëteit. In het geval van het onderwijs gaat het er dan om dat de docent, mentor of studieloopbaanbegeleider is toegerust – zowel qua handelingsrepertoire als beschikbare tijd – om de bulk van leerlingen met een bijzondere onderwijsbehoefte op een passende manier te ondersteunen.

En de bulk is: 80% van de leerlingen met een extra ondersteuningsbehoefte die zorgt voor 20% van de variëteit aan extra ondersteuningsbehoefte. Het zou me verbazen als de 80/20-regel hier niet van toepassing is.

Alleen wat niet tot de bulk behoort, zou moeten worden opgevangen door een gespecialiseerde tweede lijn.

Tip 3: Niet uniformeren, maar differentiëren

De vorige tip veronderstelt dat er inzicht is in de omvang en variëteit in extra ondersteuningsbehoefte. Zelf ben ik betrokken bij de invoering van passend onderwijs in een grote instelling voor middelbaar beroepsonderwijs. Daar blijkt dat leerlingen van verschillende sectoren, opleidingen en opleidingsniveaus verschillen in ondersteuningsbehoefte. Bijvoorbeeld bij opleidingen laboratoriumtechniek heeft de ondersteuningsbehoefte een ander karakter dan bij zorg en welzijn.

Het is dus verstandig onderscheid te maken tussen subsystemen. Dit betekent dat organisaties in het onderwijs de ruimte moeten bieden aan relevante subsystemen om op de maat van hun leerlingen de 80/20-regel toe te passen. Ga dus vooral niet ‘instellingsbreed’ passend onderwijs uniformeren.

Tip 4: Blijf leren

Variëteit is meestal niet statisch, maar dynamisch. Ook de omgeving waarin het onderwijs functioneert, is aan (grote) verandering onderhevig. En zo zal ook de behoefte aan extra ondersteuning veranderen.

Daarom is het van belang dat onderwijs niet alleen doceert, maar ook leert. Anders wordt onderwijs dat past bij vandaag, het probleem van morgen.

Door hiernaast op akkoord te klikken of door gebruik te blijven maken van deze website, geef je toestemming voor het plaatsen van cookies bij bezoek aan deze website. Meer weten over deze cookies, of wil je de cookie-instellingen voor deze website wijzigen? Klik dan hiernaast op meer informatie